De provincie Noord‑Holland houdt vast aan het plan om rond kwetsbare en beschermde natuurgebieden zones van 250 meter in te stellen waar bestaande landbouwactiviteiten minder intensief moeten worden. Dat staat in het voorstel van het college van Gedeputeerde Staten, dat gesteund werd tijdens de vergadering van Provinciale Staten.
Afspraken wijken af van kabinetsvoorstel
Het kabinet heeft recent aangegeven te willen werken met grotere afstanden, variërend van 500 tot 1.000 meter, als onderdeel van een landelijke aanpak om de stikstofdepositie te verminderen. Noord‑Holland kiest bewust voor een kortere afstand. Volgens BBB‑gedeputeerde Jelle Beemsterboer (landbouw) is de 250‑metergrens zowel effectief als juridisch houdbaar.
"Het voorstel van Landbouwminister Jaimi van Essen laat volgens hem ruimte voor kleinere stroken, als maar wordt voldaan aan de doelen die het Rijk stelt."
Beemsterboer verwees in de toelichting naar wetenschappelijke inzichten die aantonen dat maatregelen tegen stikstof het meest effect sorteren binnen een straal van 250 meter rondom gevoelige natuur. Die overtuiging is voor het provinciebestuur reden om die afstand als uitgangspunt te nemen, mits de provinciale maatregelen voldoen aan de doelstellingen die het Rijk formuleert.
Voorwaarden en flexibiliteit
De provincie benadrukt dat de 250‑meterzones geen rigide model zijn dat overal hetzelfde wordt toegepast. Gedeputeerde Staten willen gebiedsgericht werken: samen met lokale boeren en natuurorganisaties wordt per gebied bekeken welke specifieke maatregelen nodig zijn om natuurherstel te bereiken. Als dat herstel aantoonbaar is, kan volgens het voorstel het provinciale 'stikstofslot' worden opgeheven, waardoor vergunningverlening voor bijvoorbeeld woningbouw mogelijk wordt versoepeld.
De belangrijkste punten die de provincie noemt bij de uitvoering zijn:
- gebiedsgerichte afspraken met lokale partijen;
- minder intensieve landbouw binnen de zones, bijvoorbeeld omschakeling naar biologische teelt;
- monitoring van natuurherstel om het stikstofslot te kunnen opheffen;
- juridische toetsing van de gekozen afstand en maatregelen.
Reactie en steun in Provinciale Staten
In Provinciale Staten bleek donderdagavond grote steun voor de koers van het college. Dat betekent niet dat er geen discussie was over de consequenties: fracties stelden vragen over de uitvoerbaarheid, financiële compensatie voor boeren en de samenhang met landelijke regelgeving.
Het provinciebestuur rekent erop dat het kabinetsvoorstel ruimte laat voor kleinere stroken wanneer provincies aantonen dat hun maatregelen dezelfde doelen behalen. In die optiek zal Noord‑Holland naar verwachting middels onderbouwing en overleg met het Rijk proberen de gekozen 250‑metergrens te legitimeren.
Wat betekent dit voor boeren en ruimtelijke plannen?
Voor bestaande boerenbedrijven binnen een 250‑meterzone betekent de maatregel dat hun bedrijfsvoering minder intensief moet worden. Concreet kan dat omschakeling naar biologische landbouw of andere extensiveringsmaatregelen inhouden. De provincie benadrukt dat omzettingsmaatregelen in overleg met landbouworganisaties en natuurpartijen plaatsvinden en per gebied kunnen verschillen.
Voor gemeenten en projectontwikkelaars is relevant dat de mate van natuurherstel bepalend wordt voor het al dan niet opheffen van het stikstofslot, en daarmee voor de vergunningverlening. Wordt herstel aantoonbaar dan kunnen woningbouw- en infrastructuurprojecten sneller doorgang vinden; blijft herstel uit, dan blijven beperkingen van kracht.
| Actor | Voorgestelde afstand |
|---|---|
| Provincie Noord‑Holland | 250 meter |
| Kabinet (landelijk voorstel) | 500–1.000 meter |
Volgende stappen
Gedeputeerde Staten en betrokken partijen zullen per gebied in kaart brengen welke maatregelen nodig zijn om aan de Rijksdoelen te voldoen. Die gebiedsgerichte aanpak moet zowel ecologische als sociale aspecten meenemen: natuurherstel, economische gevolgen voor boeren en de planologische gevolgen voor gemeenten.
De discussie over de afstandscriteria houdt de komende maanden aan, zeker zolang het Rijk nog werkt aan landelijke regels. Noord‑Holland kiest voor een pragmatische route met nadruk op lokale samenwerking en toetsbare resultaten, maar het blijft afwachten of die koers juridisch en bestuurlijk kan worden verankerd binnen het bredere nationale kader.