Meer jongeren trekken naar de stad, Amsterdam voorop
In 2024 trokken veel jongvolwassenen uit het ouderlijk huis: volgens een nieuwe analyse van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waren dat ruim 174.000 jongeren tussen 18 en 30 jaar. Een aanzienlijke groep vestigde zich in de tien grootste gemeenten van Nederland; daarbij behoort Amsterdam tot de populairste bestemmingen. De uitkomst geeft een inkijk in veranderingen op de lokale woningmarkt en de druk op betaalbare huisvesting in de hoofdstad.
"31,5 procent van de jongeren die uit huis gingen was student op 31 december van dat jaar."
Verschil tussen studenten en niet-studenten
Het CBS onderscheidt jongeren die op het einde van het jaar nog student waren en zij die dat niet waren. Uit de cijfers blijkt dat studenten relatief vaak in de private huur belanden: bijna de helft van de uit huis gaande studenten (49,9 procent) woonde op het eind van het jaar in een huurwoning op de particuliere markt. De tweede categorie voor studenten is een corporatiewoning, gevolgd door een koopwoning.
Niet-studenten zoeken vaker naar een koopwoning: 42,6 procent van deze groep woonde in 2024 in een koophuis, gevolgd door particuliere huur en sociale huur via woningcorporaties. Voor Amsterdam betekent dit dat de toestroom van jonge niet-studenten de vraag naar starterskoopwoningen kan aanjagen, terwijl studenten vooral de huurmarkt extra belasten.
Opleidingsniveau beïnvloedt eerste huisvesting
Het opleidingsniveau speelt eveneens een rol in het type eerste woonruimte. Mbo-studenten eindigden relatief vaak in een koopwoning in vergelijking met hbo- en wo-studenten. Volgens het CBS lag het aandeel mbo-studenten in een koopwoning op 27,7 procent, bij hbo-studenten op 21,1 procent en bij wo-studenten op 16,3 procent.
| Onderwijsniveau | Koopwoning | Corporatie | Private huur |
|---|---|---|---|
| Mbo-student | 27,7% | 35,5% | 36,9% |
| Hbo-student | 21,1% | 24,2% | 54,7% |
| Wo-student | 16,3% | 28,4% | 55,3% |
Betekenis voor Amsterdamse woningmarkt en beleid
Voor Amsterdam heeft deze demografische verschuiving meerdere consequenties. Ten eerste vergroot de toestroom van jongeren de vraag naar betaalbare huurwoningen, een sector waarin studenten veruit het vaakst terechtkomen. Ten tweede kan de relatief grotere neiging van niet-studenten en mbo’ers om in koopwoningen te wonen leiden tot extra concurrentie op het starterssegment van de koopmarkt.
Lokale beleidsmakers en woningcorporaties worden hierdoor voor uitdagingen geplaatst: zij moeten ruimte vinden voor zowel korte termijn huisvesting voor studenten als duurzame oplossingen voor jonge huishoudens die willen doorstromen naar koop of sociale huur. De cijfers geven inzicht in wie de vraag bepaalt — per opleidingsniveau en per type verblijf — en zijn relevant bij het opstellen van gemeentelijk woonbeleid en investeringsplannen.
Wonen samen of alleen
Het CBS signaleert ook verschillen in woonsituaties: jongeren gaan vaak samenwonen met een partner, familie of huisgenoten, maar het aandeel dat alleen woont verschilt per opleidingsniveau en geslacht. Vrouwen gaan vaker samen met anderen wonen dan mannen. Voor Amsterdam betekent dit dat het verloop in huishoudenssamenstelling invloed heeft op de grootte en het type woningen die nodig zijn in verschillende stadsdelen.
- 174.000 jongeren verlieten in 2024 het ouderlijk huis.
- Studenten: grootste aandeel in private huur (49,9%).
- Niet-studenten: grootste aandeel in koopwoningen (42,6%).
De CBS-analyse geeft beleidsmakers en lokale partijen concrete cijfers om te handelen, maar lost niet automatisch de schaarste op. In Amsterdam blijft het combineren van voldoende betaalbare huur, beschikbare starterskoopwoningen en passende huisvesting voor mbo-studenten en niet-studenten een aandachtspunt voor de komende jaren.