De Nederlandse economie is in het derde kwartaal van 2026 met 0,6 procent gegroeid ten opzichte van het voorgaande kwartaal. De industrie was de belangrijkste motor achter die ontwikkeling, met de machinebouw als sterke uitschieter. Dat blijkt uit een eerste berekening van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Industrie levert grootste bijdrage
De toegevoegde waarde van de industrie nam in het derde kwartaal met 2,7 procent toe. Dat is een versnelling ten opzichte van het tweede kwartaal, toen de industriële toegevoegde waarde met 1,8 procent steeg. Hoewel de delfstoffenwinning procentueel sterker groeide, was het gewicht van de industrie in de Nederlandse economie groter. Daardoor leverde de industrie per saldo de belangrijkste bijdrage aan de groei van het totale bbp.
Vooral de machinebouw presteerde goed. De sector profiteerde daarmee van een bredere opleving binnen de industrie. De cijfers zeggen niet dat ieder industrieel bedrijf of iedere werknemer dezelfde ontwikkeling doormaakte, maar laten wel zien dat de bedrijfstak als geheel in het derde kwartaal duidelijk meer waarde toevoegde dan in de drie maanden daarvoor.
Meer uitvoer van machines en transportmiddelen
Ook de buitenlandse handel ondersteunde de economie. De uitvoer van goederen en diensten nam met 0,5 procent toe. Daarbij werden vooral meer machines en transportmiddelen geëxporteerd. De invoer groeide met 0,3 procent en bleef daarmee achter bij de uitvoer. Dat zorgde voor een verbetering van het handelssaldo.
Een concreet voorbeeld van die ontwikkeling is de Nederlandse machinebouw: extra buitenlandse orders voor machines tellen mee in de uitvoer en dragen vervolgens bij aan de productie in Nederland. Voor de economie is niet alleen van belang hoeveel er wordt verkocht, maar ook de verhouding tussen wat Nederlandse bedrijven naar het buitenland leveren en wat uit andere landen wordt ingevoerd.
| Onderdeel | Groei in het derde kwartaal |
|---|---|
| Nederlandse economie | 0,6% |
| Industrie | 2,7% |
| Uitvoer goederen en diensten | 0,5% |
| Invoer | 0,3% |
| Investeringen in vaste activa | -0,1% |
Consumptie groeit, investeringen dalen licht
Niet alleen de industrie en de handel droegen bij aan de groei. Zowel huishoudens als de overheid besteedden in het derde kwartaal 0,4 procent meer dan in het voorgaande kwartaal. In alledaagse termen betekent dit dat de binnenlandse vraag als geheel toenam: uitgaven van huishoudens en overheidsbestedingen vormden samen een positieve bijdrage aan de economische activiteit.
Daar stond een lichte daling van de investeringen tegenover. De investeringen in vaste activa namen met 0,1 procent af. Dat cijfer laat zien dat de groei niet op alle onderdelen van de economie even sterk was. De stijging van de productie en de consumptie werd slechts beperkt door de lagere investeringen, maar die daling blijft wel een aandachtspunt voor de verdere ontwikkeling.
Economie groter dan een jaar eerder
Vergeleken met het derde kwartaal van 2025 was de Nederlandse economie 2,1 procent groter. Daarmee was de groei op jaarbasis sterker dan de kwartaalontwikkeling alleen laat zien. De industrie behoorde ook in die vergelijking tot de belangrijkste groeimotoren.
De cijfers geven voorlopig vooral een beeld van de richting waarin de economie zich beweegt. Het CBS benadrukt dat het om een eerste berekening gaat. Nieuwe informatie kan de uitkomst nog wijzigen. De tweede berekening van de economische groei wordt op 24 december gepubliceerd. Tot die tijd staat vast dat de Nederlandse economie in het derde kwartaal groeide, maar nog niet dat alle onderliggende cijfers definitief zijn.
- De totale economie groeide kwartaal-op-kwartaal met 0,6 procent.
- De industrie groeide met 2,7 procent en leverde de grootste bijdrage.
- De uitvoer steeg sterker dan de invoer, terwijl de investeringen licht afnamen.