Het Vietnamese ministerie van Onderwijs en Opleiding (MOET) heeft met Circulaire nr. 72/2026/TT-BGDĐT de samenwerking rondom beroepsonderwijs landelijk verankerd en de regels voor transparantie en toezicht aangescherpt. Doel is om de kloof tussen theoretische opleiding en de praktische eisen van de arbeidsmarkt te dichten en daarmee de kwaliteit en bruikbaarheid van vakopleidingen te vergroten.
Breed samenwerkingsverband als norm
De circulaire verplicht onderwijsinstellingen, bedrijven, onderzoeksinstellingen en technologieorganisaties om nauwer samen te werken bij het ontwikkelen van curricula, praktijkonderwijs en stageplaatsen. Ook maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties worden nadrukkelijk als partners genoemd. Volgens het ministerie creëert dit een juridisch kader voor een solide ecosysteem dat beter aansluit op economische behoeften.
Concrete samenwerkingsvormen die in de circulaire genoemd worden, zijn onder meer:
- gezamenlijke ontwikkeling van trainingsprogramma's en leermodellen;
- organisatie van praktijkopleidingen en stages bij bedrijven;
- gezamenlijk beheer en gebruik van faciliteiten en apparatuur;
- bijscholing van leerlingen en docenten in professionele vaardigheden en nieuwe technologieën;
- toepassing van wetenschappelijk onderzoek en technologische overdracht ten behoeve van onderwijsinnovatie.
Toegesneden op arbeidsmarktbehoeften
De circulaire legt expliciet vast dat opleidingen moeten aansluiten op de actuele vraag van werkgevers. Dat gebeurt onder andere door opleidingsprogramma's op maat, het ontvangen van stagiairs voor praktijkstages en ondersteuning bij werving en selectie. Studenten krijgen zo toegang tot apparatuur voor beroepsopleiding en praktijkervaring die hun inzetbaarheid vergroot.
De regeling stimuleert tevens dat bedrijven vacatures aanbieden aan stagiairs en actief bijdragen aan de vorming van competenties die in de beroepspraktijk nodig zijn. Op die manier moet de afstand tussen diploma en daadwerkelijke arbeidskwalificaties kleiner worden.
Regulering, transparantie en toezicht
Naast samenwerking stelt de circulaire eisen aan transparantie en intensivering van toezicht. Het doel is te voorkomen dat samenwerkingsverbanden vrijblijvend blijven of hun kwaliteit verliezen. Door heldere regels voor rollen, verantwoordelijkheden en gedeelde middelen te formuleren, ontstaat volgens het ministerie een stabieler en effectiever stelsel.
De nadruk op toezicht en standaardisering wijst op beleidsmatig streven naar uniformiteit in kwaliteit en verifieerbare resultaten. Dit kan leiden tot striktere controlerende taken voor toezichthoudende organen en wellicht ook tot nieuwe rapportageverplichtingen voor deelnemende instellingen en bedrijven.
| Betrokkene | Mogelijke rol |
|---|---|
| Onderwijsinstellingen | Ontwikkeling curricula, uitvoering stages, gebruik faciliteiten |
| Bedrijven | Praktijkplaatsen, werving, technologische input |
| Onderzoeks- en technologie-instituten | Onderzoeksinzet, technologische overdracht, innovatie |
Gevolgen en aandachtspunten
De nieuwe regeling kan leiden tot betere aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt, hogere praktische vaardigheid van afgestudeerden en meer innovatiegedreven onderwijs. Tegelijkertijd roept het uitvoeringsvragen op: hoe worden kwaliteit en gelijkheid tussen instellingen geborgd, en hoe garandeert het toezicht dat samenwerking daadwerkelijk plaatsvindt in achtergestelde gebieden of kleinere scholen?
Vooral de praktische uitvoering — zoals het delen van kostbare apparatuur en het organiseren van structurele stages — vereist heldere afspraken en draagvlak bij zowel onderwijsinstellingen als het bedrijfsleven. Zonder voldoende middelen en coördinatie dreigen grotere scholen en bedrijven te profiteren, terwijl kleinschalige instellingen achterblijven.
De circulaire is een beleidsinstrument met nationaal bereik dat de structurele randvoorwaarden voor beroepsopleiding verandert. De komende maanden zal duidelijk worden hoe onderwijsorganisaties, bedrijven en onderzoeksinstellingen de nieuwe regels vertalen naar concrete samenwerkingsafspraken en of dit daadwerkelijk leidt tot betere kansen voor studenten op de arbeidsmarkt.