Afgestudeerden van hbo-opleidingen in het onderwijs en de gezondheidszorg hebben volgens nieuwe loopbaancijfers gemiddeld de hoogste bruto uurlonen vier tot acht jaar na afronding van hun studie. Voor onderwijs staat in de analyse een gemiddeld uurloon van €28,90, voor gezondheidszorg is dat €28,60.
Wat zeggen de cijfers werkelijk?
De bedragen maken deel uit van een vergelijking tussen brede opleidingssectoren; het zijn gemiddelden en geen garantie voor individuele startsalarissen of voor elke opleiding binnen die sectoren. Wanneer die uurlonen worden omgerekend naar een fulltimewerkweek van 40 uur en naar twaalf maanden, ontstaat een bruto maandsom van ongeveer €5.009 voor onderwijs en €4.957 voor gezondheidszorg. Bij een veelvoorkomende werkweek van 36 uur liggen die voorbeelden rond respectievelijk €4.508 en €4.462.
Belangrijk is dat het rekenvoorbeeld is bedoeld om een indruk te geven van schaalgrootte. Een bruto bedrag zegt niets over netto-inkomen en laat buiten beschouwing hoe contracturen, deeltijdwerk en secundaire arbeidsvoorwaarden van invloed zijn op het uiteindelijke inkomen.
Kans op werk meewegen
Nóg een relevante uitkomst is dat onderwijs en zorg niet alleen hoge uurlonen laten zien, maar ook lage werkloosheidscijfers vier tot acht jaar na het behalen van het diploma: ongeveer 1,0 procent voor onderwijs en 1,1 procent voor gezondheidszorg. Voor studiekiezers is dat net zo belangrijk als het bruto cijfer op de loonstrook, omdat een inkomen alleen ontstaat als er daadwerkelijk werk is.
- Uurloon onderwijs: €28,90 (gemiddeld, 4–8 jaar na afstuderen)
- Uurloon gezondheidszorg: €28,60 (gemiddeld, 4–8 jaar na afstuderen)
- Werkloosheid 4–8 jaar na afstuderen: 1,0% (onderwijs), 1,1% (zorg)
Afzonderlijke meetmomenten en interpretatie
De cijfers in de nieuwsberichten baseren zich op een set loopbaancijfers waar De Telegraaf over publiceerde. Eerder verschenen ook resultaten van de HBO-Monitor 2025, die ongeveer anderhalf jaar na afstuderen meet. In die monitor staan onderwijs en zorg eveneens bovenaan, met lagere gemiddelde uurlonen: respectievelijk €25,60 en €25,20. Die verschillen tonen aan dat uitkomst en meetmoment impact hebben op de hoogte van het gemiddelde.
Beide meetmethoden zijn informatief, maar niet zonder meer vergelijkbaar: de één meet op kortere termijn na afstuderen, de ander kijkt vier tot acht jaar later. Daarom is het misleidend om deze cijfers zomaar te combineren tot één persoonlijk toekomstperspectief.
Consequenties voor studiekeuze en kansengelijkheid
Voor beleidsmakers en onderwijsinstellingen zijn er twee duidelijke aandachtspunten. Ten eerste tonen de cijfers dat sectoren met maatschappelijke relevantie zoals onderwijs en zorg ook economisch aantrekkelijk kunnen zijn—zowel qua beloning als qua baankansen. Ten tweede onderstrepen de verschillen tussen gemiddelden en individuele ervaring het belang van transparantie over werkuren, contractvormen en regionale verschillen op de arbeidsmarkt.
Voor studiekiezers betekent dit dat salarisverwachting een legitiem aspect van de afweging is, maar niet de enige. Arbeidsmarktkansen, persoonlijke belangstelling en de vraag of een opleiding daadwerkelijk leidt tot een vaste baan of tot veel deeltijdwerk, zijn evenzeer doorslaggevend. Het advies blijft: kijk niet alleen naar het gemiddelde, maar naar concrete arbeidsvoorwaarden bij specifieke werkgevers en naar de kans op werk binnen de regio en het vakgebied.
| Sector | Gem. uurlonen 4–8 jaar na afstuderen | Bruto maandvoorbeelden (40 uur) |
|---|---|---|
| Onderwijs | €28,90 | €5.009 |
| Gezondheidszorg | €28,60 | €4.957 |
De cijfers bieden een nuttige richtingwijzer, maar geen eenduidige aanbeveling voor individuele studiekeuzes. Zowel studenten als instellingen en beleidsmakers moeten bij het interpreteren van dergelijke statistieken oog houden voor kansenverdeling en praktische omstandigheden op de arbeidsmarkt.