Het Centraal Planbureau (CPB) stelt dat internationale studenten over hun gehele levensloop gemiddeld een positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse overheidsfinanciën. In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bracht het CPB de kosten en baten van buitenlandse studenten in kaart en concludeert dat de door de overheid gemaakte uitgaven ruim worden terugverdiend.
Belastinginkomsten compenseren studiekosten
Het rapport bekijkt de uitgaven van de overheid aan onder meer studiefinanciering, sociale zekerheid en zorg en zet die af tegen de opbrengsten die afgestudeerde buitenlandse studenten later genereren via werk en belastingen. Volgens het CPB is het nettoresultaat positief: de gemiddelde baten overstijgen de gemaakte kosten.
- Reden: een deel van de internationale studenten blijft na afronding van de studie in Nederland werken en draagt vervolgens bij aan belastinginkomsten.
- Trend: het CPB signaleert dat internationale studenten vaker in Nederland blijven na hun afstuderen dan in voorgaande jaren.
Blijft er veel in Nederland?
Het CPB maakt onderscheid tussen studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER) en overige internationale studenten. Vijf jaar na afronding van de studie woont ongeveer één op de vijf studenten uit de EER nog in Nederland. Bij studenten buiten de EER is dat een grotere groep: ongeveer twee op de vijf blijven hier wonen.
| Groep studenten | Aandeel dat na 5 jaar in Nederland woont |
|---|---|
| Studenten uit de EER | ~20% |
| Overige internationale studenten | ~40% |
"Gemiddeld ruimschoots terugverdiend"
Wat betekent dit voor beleid en kansengelijkheid?
De conclusie van het CPB ondersteunt argumenten voor het aantrekken van buitenlandse studenten. Niet alleen vanwege kennisdeling en internationalisering van universiteiten, maar ook omdat zij op termijn bijdragen aan belastinginkomsten. Voor beleidsmakers is dit relevant bij de afweging van investeringen in toegankelijk onderwijs voor internationale studenten en bij migratie- en verblijfsbeleid dat gericht is op het vasthouden van talent.
Voor de discussie over kansengelijkheid roept de uitkomst vragen op. Internationale studenten leveren netto een bijdrage, maar dat zegt niets over de verdeling van kansen tussen binnenlandse en buitenlandse studenten. Investeringen die gericht zijn op het aantrekken van buitenlandse studenten mogen geen belemmering vormen voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor studenten uit Nederland met minder draagkracht of met een migratieachtergrond.
Gevolgen voor onderwijsinstellingen
Universiteiten en hogescholen die doelbewust internationale studenten werven, kunnen dit onderzoeksresultaat gebruiken om hun strategie te legitimeren. Tegelijkertijd brengt meer internationale instroom praktische kwesties met zich mee: huisvesting, taalondersteuning en loopbaanbegeleiding voor wie wil blijven werken en wonen in Nederland. Als meer afgestudeerden in Nederland blijven, kan dat ook op de langere termijn druk geven op de arbeidsmarkt in specifieke sectoren en op de voorzieningen in steden met veel studenten.
Het CPB-rapport vormt een financiële onderbouwing voor de stelling dat buitenlandse studenten niet louter kostenposten zijn. Voor een breed en eerlijk onderwijsbeleid is het belangrijk dat deze uitkomst wordt geplaatst naast andere doelen van het hoger onderwijs: gelijke kansen, kwalitatieve onderwijsvoorzieningen en maatschappelijke baten buiten louter fiscale opbrengsten.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap had het CPB om deze analyse gevraagd. Het bureau sluit met deze berekening aan bij eerdere studies die eveneens een positieve nettopositie voor internationale studenten vonden. Hoe beleidsmakers, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties deze bevindingen gebruiken in beslissingen over toelating, financiering en integratie van internationale studenten, zal de komende jaren bepalen of de positieve balance ook op langere termijn houdbaar blijft voor alle betrokkenen.