NOORD-BRABANT – Noord-Brabant wil het water- en bodemsysteem de komende jaren nadrukkelijker laten meewegen bij de inrichting van de provincie. In het ontwerp van het nieuwe Programma Water en Bodem Noord-Brabant 2028-2033 staat een landschap centraal dat regenwater beter opneemt, langer vasthoudt en geleidelijk weer afgeeft. De provincie kijkt daarbij vooruit naar 2050.
De koers is nodig omdat Brabant volgens de provincie steeds vaker wordt geconfronteerd met een combinatie van droogte, zware buien en hitte. Tegelijk staan de kwaliteit van water en bodem onder druk. De vraag naar grondwater neemt toe, onder meer voor drinkwater, landbouw en industrie. Dat legt extra spanning op een systeem dat lange tijd vooral was ingericht op het zo snel mogelijk afvoeren van water.
Van afvoer naar vasthouden
Die oude inrichting heeft volgens de provincie twee kanten. In droge perioden zakken grondwaterstanden verder weg en kunnen beken en vennen droogvallen. Bij hevige neerslag kan water juist voor overlast zorgen in lagergelegen gebieden. Het nieuwe programma moet helpen om die tegenstelling beter op te vangen. Niet door alleen achteraf problemen te bestrijden, maar door het natuurlijke functioneren van water en bodem als uitgangspunt te nemen.
De provincie spreekt daarbij over het principe ‘Water en Bodem sturend’. Dat betekent dat de eigenschappen van het landschap zoveel mogelijk bepalend moeten zijn voor ruimtelijke keuzes en grondgebruik. Het gaat dan om locaties voor wonen, werken, landbouw, natuur en energie. Nieuwe ontwikkelingen moeten volgens de ontwerpkoers zo veel mogelijk terechtkomen op plekken die daarvoor geschikt zijn.
Wie toch van die lijn afwijkt, moet volgens het ontwerp onderbouwen waarom dat noodzakelijk is en welke gevolgen dat heeft. Daarmee verschuift het vertrekpunt bij ruimtelijke plannen: niet alleen de vraag wat ergens mogelijk is, maar ook wat het water- en bodemsysteem aankan, moet aan de voorkant worden meegenomen. Dat is van belang in een provincie waar verschillende functies om dezelfde ruimte concurreren.
Vijf opgaven blijven de basis
Het nieuwe programma volgt het Regionaal Water- en Bodem Programma inclusief addendum op. Dat bestaande beleidskader loopt volgend jaar af. De nieuwe ontwerptekst bouwt voort op vijf beleidsopgaven die ook in de huidige planperiode centraal staan:
- schoon water;
- voldoende water;
- waterveiligheid;
- een vitale bodem;
- klimaatadaptatie.
Die onderwerpen hangen nauw met elkaar samen. Schoon water is bijvoorbeeld niet los te zien van de kwaliteit van de bodem en van de manier waarop water door het landschap beweegt. Voldoende water vraagt niet alleen om beschikbaarheid in droge tijden, maar ook om een inrichting die neerslag kan vasthouden wanneer die in korte tijd valt. De provincie bundelt de opgaven daarom in één programma met een horizon tot 2033 en een doorkijk naar 2050.
| Onderdeel | Periode of horizon | Inhoud |
|---|---|---|
| Nieuw programma | 2028-2033 | Beleid voor water, bodem en klimaatadaptatie |
| Langetermijnblik | 2050 | Een landschap dat water opneemt, vasthoudt en geleidelijk afgeeft |
| Besluit over ontwerp | 8 december 2026 | Gedeputeerde Staten stellen het ontwerp-programma vast |
Droogtebeleid opgenomen
In het ontwerp zijn ook de Droogteagenda uit 2024 en de KRW-impuls Brabant uit 2025 verwerkt. Daarmee sluit het programma aan op eerdere provinciale inzet voor de gevolgen van droogte en op de verbetering van de waterkwaliteit. De provincie presenteert het nieuwe document dus niet als een losstaand plan, maar als een volgende stap in een al ingezette ontwikkeling.
De aanleiding is in Brabant zichtbaar in het landschap. In 2022 vielen door de vroege droogte meer vennen droog dan in 2018. De provincie noemt daarbij een voorbeeld bij Veghel. Zulke situaties maken duidelijk dat waterbeschikbaarheid niet alleen een theoretisch beleidsvraagstuk is. De gevolgen raken natuurgebieden, beken en de grondwatervoorraad, terwijl op andere momenten juist snel afgevoerd water tot problemen kan leiden.
Gevolgen voor ruimte en grondgebruik
De keuze om water en bodem leidend te maken, kan doorwerken in veel Brabantse plannen. Bij woningbouw, bedrijvigheid, landbouw, natuurontwikkeling en energieprojecten moet rekening worden gehouden met de geschiktheid van een locatie. Het ontwerp stelt dat nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk op passende plekken moeten komen. De provincie koppelt daar een verantwoordingsplicht aan wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken.
Daarmee wordt het programma vooral een kader voor de langere termijn. Het schrijft niet alleen voor hoe met water moet worden omgegaan tijdens een droge zomer of na een zware bui, maar verbindt ook de ondergrond aan de inrichting van Brabant. Een gezonde bodem en een goed functionerend watersysteem vormen volgens de provincie de voorwaarden voor een klimaatbestendige provincie.
Gedeputeerde Staten moeten het ontwerp-programma op 8 december 2026 vaststellen. De nu gepresenteerde koers is gericht op de periode 2028-2033, maar de ambitie reikt verder. In 2050 moet Brabant volgens de provincie werken als een spons: water wordt dan niet langer vooral afgevoerd, maar waar mogelijk opgenomen, vastgehouden en later weer beschikbaar gemaakt. Dat is een stevige omslag. De Brabantse nuchterheid gebiedt daarbij vooral om naar de ondergrond te kijken voordat de schop de grond in gaat.