Het veelvuldig vastleggen van informatie met de camera van een smartphone kan ervoor zorgen dat mensen die informatie minder goed onthouden. Dat concluderen onderzoekers van Binghamton University na zeven experimenten naar wat zij noemen het photo-taking impairment effect. Het resultaat heeft gevolgen voor gebruikers die dagelijks veel foto’s en screenshots maken.
Wat toonde het onderzoek?
De onderzoekers lieten proefpersonen verschillende taken uitvoeren, waaronder het bekijken van informatie of kunstwerken, soms met de mogelijkheid een foto of screenshot te maken. In meerdere opstellingen bleek dat deelnemers die beelden vastlegden achteraf minder goed konden terughalen wat ze gezien hadden dan deelnemers die geen foto maakten. Dat effect trad op ondanks aanvullende kijktijd in sommige experimenten, wat wijst op andere oorzaken dan enkel verdeelde aandacht.
"Als je foto’s of screenshots maakt tijdens een ervaring, is er consistent bewijs dat je herinnering aan de informatie of gebeurtenis verslechtert", zei onderzoeker Sophia Fabrizio.
Waarom werkt het zo?
De onderzoekers noemen twee verklaringen die elkaar kunnen versterken. Ten eerste kan het maken van een foto aandacht afleiden: de handeling van vastleggen vraagt cognitieve middelen die anders gebruikt zouden worden om informatie op te slaan. Ten tweede speelt cognitieve offloading een rol: mensen vertrouwen op het externe geheugen van hun apparaten en steken minder moeite in het intern onthouden van feiten of indrukken wanneer ze weten dat er een digitale kopie bestaat.
- Foto's en screenshots vangen aandacht tijdens een ervaring en verminderen zo opname in het geheugen.
- Het idee dat "mijn telefoon onthoudt het wel" zorgt ervoor dat mensen minder geneigd zijn informatie actief te verwerken.
- Beelden helpen wél als ze later bewust worden herbekeken; het probleem is dat veel foto's nooit meer worden bekeken.
Hoe groot is het probleem in praktijk?
De onderzoekers verwijzen naar schattingen over gebruikersgedrag die het patroon illustreren: mensen maken dagelijks veel foto's en bewaren grote aantallen op hun toestellen. Daardoor blijft een groot deel van die beelden waarschijnlijk onbenut als geheugensteun.
| Aangegeven schatting | Waarde |
|---|---|
| Foto's per dag per persoon (geschat) | 20 |
| Gemiddeld aantal foto's op smartphone | 2.000 |
Volgens de onderzoekers zijn dergelijke aantallen relevant omdat veel gemaakte beelden nooit actief teruggezocht of bekeken worden. Daardoor vervalt het wederkerige voordeel dat afbeeldingen kunnen hebben in het consolideren van herinneringen wanneer ze bewust worden teruggehaald.
Praktische consequenties voor gebruikers
Voor consumenten betekent dit dat de routine van direct vastleggen niet zonder nadelen is. Wie informatie wil onthouden, heeft baat bij bewuste verwerking en terugkoppeling. Foto’s kunnen dienen als geheugensteun, maar alleen wanneer ze later doelgericht worden herbekeken of gebruikt om de herinnering te activeren. Zonder dat hergebruik lijkt het maken van beelden eerder een afschuiving van cognitieve verantwoordelijkheid.
De onderzoeksresultaten roepen vragen op over ontwerprichtlijnen en gebruikersinterfaces: fabrikanten en app-makers kunnen functies overwegen die gebruikers helpen beelden later terug te vinden of te herbekijken, in plaats van ze louter op te slaan. Voor nu is het advies praktisch en bescheiden: maak niet alles reflexmatig vast, maar kies bewuster wanneer je een digitale kopie nodig hebt en plan momenten in om belangrijke beelden te ordenen en te bekijken.
Het onderzoek benadrukt dat digitale hulpmiddelen geheugenverandering beïnvloeden — positief als ze actief worden ingezet, nadelig als ze enkel leiden tot passieve opslag. Voor gebruikers is het aanknopingspunt helder: meer klikken betekent niet automatisch beter onthouden.