De Raad van State heeft scherpe kritiek geuit op het voornemen van minister David van Weel (Justitie) om verkeersboetes voor lichtere verkeersovertredingen jaarlijks mee te laten stijgen met de inflatie. In een advies constateert de hoogste kabinetsadviseur dat de relatie tussen boetebedragen en andere straffen uit balans is geraakt en dat de voorgestelde maatregel onvoldoende onderbouwd is.
Onevenredige stijging sinds 1994
De Raad wijst erop dat verkeersboetes sinds 1994 met ruim 220% zijn toegenomen, terwijl de kosten van levensonderhoud in diezelfde periode met ongeveer 70% stegen. Volgens de Raad is die kloof te groot en ontbreekt de proportionele verhouding tussen boetebedragen en andere sancties.
| Post | Stijging sinds 1994 |
|---|---|
| Verkeersboetes | +220% |
| Kosten van levensonderhoud | +70% |
De Raad benadrukt dat boetes primair een strafkarakter hebben en niet bedoeld mogen zijn als structurele inkomstenbron voor een ministerie. Het argument dat verhogingen noodzakelijk zijn om gaten in de begroting van Justitie te dichten, vindt de Raad onvoldoende overtuigend.
Rechters en eerdere rapporten signaleren scheefgroei
De scheefgroei tussen verkeers- en andere boetes is eerder ook al onderwerp van rapporten en rechtszaken geweest. Zo wees onderzoek van het Openbaar Ministerie uit dat boetes voor verkeersovertredingen de afgelopen jaren harder stegen dan boetes voor andere strafbare feiten. In meerdere vonnissen dit jaar verlaagden rechtbanken verkeersboetes omdat de verhogingen in 2024 en 2025 volgens die rechtbanken feitelijk onjuist waren toegepast en ze daarmee afweken van het niveau van 2023.
De Raad signaleert concrete voorbeelden van de scheefgroei: een parkeerboete voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats kan oplopen tot €440, terwijl voor een eenvoudige mishandeling – een zogenaamde 'droge klap' – een boete van €400 staat. Deze gevallen tonen volgens de Raad aan dat de verhouding tussen verschillende sancties niet meer vanzelfsprekend is.
"Niet proportioneel"
In zijn advies schrijft de Raad dat het kabinet onvoldoende aantoont waarom de voorgestelde inflatiecorrectie van verkeersboetes noodzakelijk, evenredig en proportioneel zou zijn. De Raad suggereert dat het kabinet alternatieven en een steviger inhoudelijke onderbouwing moet overwegen voordat dergelijke structurele aanpassingen worden doorgevoerd.
Gevolgen voor beleid en rechtspraak
De kritiek van de Raad van State heeft meerdere gevolgen. Ten eerste kan de uitspraak druk zetten op het kabinet om de geplande maatregel terug te draaien of aan te passen. Ten tweede kan het leiden tot nieuwe toetsing door rechters, vooral wanneer individuele boetebedragen worden bepleit als onredelijk of buiten verhouding. Tot slot roept het advies vragen op over de rol van boetes in het begrotingsbeleid van ministeries.
Het ministerie van Justitie moet nu kiezen of het met aanvullende onderbouwing komt of het voorstel herziet. Eerder hebben opeenvolgende kabinetten besloten boetes wel te verhogen, deels om financiële tekorten te voorkomen; de Raad zet nu vraagtekens bij die logica.
- De Raad van State stelt dat verkeersboetes sinds 1994 veel sterker zijn gestegen dan de prijzen in de economie.
- Rechtbanken hebben recentelijk delen van verhogingen in 2024 en 2025 teruggedraaid.
- De Raad vraagt het kabinet om betere motivering en overweegt alternatieven voor automatische inflatiecorrectie.
De discussie raakt aan fundamentele vragen over strafrechtelijke proportionaliteit en begrotingspolitiek. Hoe het kabinet reageert op het advies zal richtinggevend zijn voor de manier waarop Nederland boetes inzet: als instrument voor gedragsregulering of als deeltijdbijdrage aan de overheidsfinanciën.