In Vlaanderen heeft een substantieel aandeel van de leerkrachten niet het diploma dat precies overeenkomt met de vak- of leerlingengroep waarvoor zij lesgeven. Uit cijfers die vandaag bekend zijn gemaakt blijkt dat 23 procent een lerarenopleiding volgde, maar niet met de vereiste specialisatie, en nog eens 7 procent geen lerarenopleiding heeft afgerond.
Ongelijkheid tussen onderwijsniveaus
De kloof in bekwaamheden verschilt sterk per onderwijsniveau. In het secundair onderwijs ontbreekt bij 38 procent van de docenten het meest geschikte diploma voor de functie. Slechts rondom 60 procent van de secundaire leerkrachten beschikt volledig over de vereiste papieren. In het lager onderwijs heeft 19 procent van de leerkrachten niet het juiste bekwaamheidsbewijs. Het buitengewoon onderwijs toont de grootste discrepantie: daar kan tot 42 procent van de leerkrachten geen passend diploma overleggen.
Regionale verschillen en reactie van de minister
Op provinciaal niveau valt de provincie Antwerpen op. Zowel in het lager als in het secundair onderwijs noteert die provincie het laagste aandeel leerkrachten met het vereiste bekwaamheidsbewijs, aldus de gepubliceerde cijfers.
Volgens minister Zuhal Demir blijft het de bedoeling om voor iedere lesopdracht de juiste leerkracht te vinden.
De minister nuanceert het beeld dat uit de cijfers kan worden afgeleid en wijst erop dat het beleid blijft inzetten op matchen van leerkrachten en lessen. Die reactie onderstreept dat de gevonden cijfers niet per se betekenen dat scholen structureel ongeschoold personeel inzetten, maar wel dat er aandacht nodig is voor de verdeling van bekwaamheden.
Wat betekenen de cijfers concreet?
De uitkomst voedt meerdere politieke en onderwijskundige discussies. Ten eerste gaat het om kwaliteit van onderwijs: leerlingen in oudere leerjaren lijken vaker les te krijgen van personeelsleden zonder speciale bevoegdheid voor het vak. Ten tweede gaat het om gelijke kansen: wanneer het percentage niet-gekwalificeerde leerkrachten hoger is in bepaalde provincies of onderwijssoorten, kan dat ongelijkheden tussen scholen en regio's versterken.
- 23% van de leerkrachten heeft wel een lerarenopleiding gevolgd, maar niet met de juiste specialisatie.
- 7% van alle leerkrachten heeft geen afgeronde lerarenopleiding.
- In het secundair onderwijs ontbreekt bij 38% het meest geschikte diploma; in het lager onderwijs is dat 19%; in het buitengewoon onderwijs 42%.
- De provincie Antwerpen telt naar verhouding het minste leerkrachten met het vereiste bekwaamheidsbewijs.
| Onderwijsniveau | Percentage zonder juiste papieren |
|---|---|
| Secundair onderwijs | 38% |
| Lagere school | 19% |
| Buitengewoon onderwijs | 42% |
De cijfers komen van een overzicht dat deze verschillen in kaart brengt. Zij geven geen direct zicht op de onderliggende oorzaken: tekorten op de arbeidsmarkt, omscholing van leraren, effecten van ontslag- en benoemingsbeleid of regionale scholingsmogelijkheden spelen allemaal mogelijk een rol. Ook wisselingen in opdrachten en tijdelijke invullingen zijn factoren die in dergelijke statistieken doorwerken.
Gevolgen voor beleid en praktijk
Voor beleidsmakers vormen deze percentages aanleiding om te kijken naar maatregelen die bekwaamheden beter laten aansluiten op lesopdrachten. Mogelijke maatregelen zijn gerichte nascholing, aantrekkelijker maken van vakken met tekorten, het herverdelen van personeel of extra ondersteuning voor scholen met een hoog aandeel niet-gekwalificeerde leerkrachten. Scholen zelf zullen vaker moeten spiegelen of hun leerlingengroepen voldoende profiteren van vakinhoudelijke expertise.
De signalen roepen ook vragen op over kansengelijkheid: als bepaalde regio’s en onderwijssoorten vaker te maken hebben met leraren zonder passende papieren, kan dat de leerresultaten van die leerlingen negatief beïnvloeden. Een concrete aanpak vereist verder onderzoek naar oorzaken en naar de impact van het tekort aan passende diploma’s op de onderwijspraktijk en op leerlingresultaten.
Voor nu blijft de uitdaging helder: het onderwijsbestel moet werk maken van het matchen van personeelskwalificaties aan de lesbehoeften van leerlingen, met bijzondere aandacht voor de sectoren en regio’s waar de discrepantie het grootst is.