Het Centraal Planbureau (CPB) rekent erop dat de koopkracht van het middelste Nederlandse huishouden in 2027 daalt met 0,3%. Daarmee draait Nederland voor het eerst in jaren de stijgende lijn in reëel inkomen om. Tegelijkertijd zijn er duidelijke verschillen tussen typen huishoudens en inkomensgroepen, waardoor sommige huishoudens juist iets meer te besteden hebben.
Wat verandert er in 2027?
Volgens de CPB-berekeningen stijgen de cao-lonen gemiddeld met 3,8%, maar wordt die loonsprong gecompenseerd door een verwachte inflatie van 2,8% en hogere druk door loon- en inkomstenbelasting. Netto blijft er daardoor voor het gemiddelde huishouden minder over.
De uitkomst is geen groot verlies, maar wel symbolisch: een krimp van 0,3% betekent ongeveer een tientje per maand minder in de portemonnee voor veel gezinnen. Voor huishoudens zonder kinderen is het effect groter: zij verliezen gemiddeld 0,5%, wat neerkomt op circa −€28 per maand voor een paar zonder kinderen waarvan beide partners onder de AOW-leeftijd zijn.
- Doorsnee huishouden: −0,3% koopkracht in 2027.
- Gepensioneerden: +0,5% koopkracht, ongeveer +€20 voor een gepensioneerd paar.
- Huishoudens zonder kinderen lopen het meeste verlies: −0,5%.
Concrete voorbeelden
Een paar zonder kinderen dat dit jaar gewend is maandelijks €28 te besteden aan extraatjes, merkt volgend jaar dat dat kan afnemen. In de praktijk kan dat betekenen: minder uit eten, minder vakantiedagen buiten de piek, of zuiniger met de auto rijden. Voor een alleenstaande onder de AOW‑leeftijd levert de ontwikkeling juist iets op: ongeveer +€12 per maand voor een gepensioneerde alleenstaande.
De cijfers tonen ook dat huishoudens met kinderen relatief beter uitkomen dan huishoudens zonder kinderen. Dat komt volgens het CPB niet doordat gezinnen expliciet worden beschermd, maar doordat kindregelingen en toeslagen automatisch meebewegen met prijsstijgingen, terwijl de belastingschijven minder snel corrigeren.
| Huishoudtype | Koopkracht 2027 | Per maand (circa) |
|---|---|---|
| Paar zonder kinderen, beiden onder AOW | −0,5% | −€28 |
| Paar met kinderen | −0,2% | −€14 |
| Eenoudergezin | −0,2% | −€8 |
| Alleenstaande onder AOW | −0,3% | −€7 |
| Gepensioneerd paar | +0,5% | +€20 |
| Gepensioneerde alleenstaande | +0,5% | +€12 |
Verdeling naar inkomensgroep
Ook naar inkomensniveaus zijn de wisselingen bescheiden maar merkbaar. De laagste 20% van huishoudens ziet praktisch geen verandering (0%, circa €0), terwijl de hoogste 20% ongeveer −0,3% verliest, ruwweg −€27 per maand. Voor middeninkomens is het verlies iets groter dan voor de laagste inkomens.
Het CPB signaleert een lichte stijging van het aandeel mensen dat onder de armoedegrens valt: van 2,6% naar 2,7%. Dat is een beperkte verschuiving, maar beleidsmakers en gemeenten volgen dit soort bewegingen nauwgezet, omdat kleine procentpunten voor sommige huishoudens grote gevolgen kunnen hebben.
Voor consumentenbedrijven en de detailhandel betekent deze ontwikkeling dat de vraag naar niet-essentiële producten mogelijk afvlakt: minder besteedbaar inkomen vertaalt zich snel naar minder impulsaankopen. Voor huishoudens zelf is het slim om de komende maanden de vaste lasten en abonnementen na te lopen en te kijken waar bespaard kan worden.
De CPB-cijfers geven geen directe beleidsaanbevelingen, maar vormen wel input voor het kabinet en politieke partijen in de aanloop naar begrotingsbeslissingen die de koopkracht in 2027 kunnen beïnvloeden.