De meeste Nederlanders kennen de body mass index (BMI) als eenvoudige rekensom om te bepalen of iemands gewicht binnen een gezonde marge valt. Steeds duidelijker wordt echter dat die maat niet in alle gevallen betrouwbaar is. Recente berichtgeving wijst erop dat de BMI geen onderscheid maakt tussen vet- en spiermassa, waardoor atleten en zeer gespierde mensen onterecht in zwaardere categorieën kunnen belanden. Een voorbeeld dat vaak wordt genoemd is kickbokser Rico Verhoeven: volgens zijn BMI zou hij in de categorie obesitas vallen, terwijl hij lichamelijk in topconditie verkeert.
Waarom de BMI soms misleidt
De kracht van de BMI ligt in eenvoud: gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat. Die eenvoud is ook de beperking. De BMI zegt niets over de samenstelling van het lichaamsgewicht. Iemand met veel spiermassa en weinig vet kan dezelfde BMI hebben als iemand met weinig spiermassa en relatief veel lichaamsvet. Die nuance ontbreekt in de klassieke berekening, met praktische gevolgen voor zowel individuele zorg als volksgezondheidsmetingen.
De opkomst van alternatieven: wat weten we over de BRI?
Als reactie op de tekortkomingen van de BMI komt een alternatief vaker in beeld: de body roundness index (BRI). In berichten over dit onderwerp wordt de BRI genoemd als een andere berekeningswijze die steeds vaker gebruikt wordt. Dat leidt tot vragen over wanneer zorgverleners en het publiek een andere maat moeten hanteren en wat de gevolgen zijn voor diagnoses, leefstijladvies en beleid.
- Praktische aansluiting: De BMI blijft bruikbaar voor eenvoudige, brede screenings. Voor nuance is aanvullende beoordeling nodig.
- Individuele beoordeling: Voor sporters, mensen met een uitzonderlijke lichaamsbouw of patiënten met specifieke gezondheidsrisico’s kan een alternatieve maat zinvoller zijn.
- Rol van zorgprofessionals: Artsen en diëtisten moeten uitleg geven over beperkingen van meetmethodes en, waar nodig, andere instrumenten inzetten.
Gevolgen voor beleid en persoonlijke zorg
De discussie rond BMI versus alternatieven raakt meerdere terreinen. In de eerstelijnszorg en bij leefstijlbegeleiding beïnvloedt de keuze van een meetmethode hoe mensen worden geadviseerd over voeding en beweging. Voor bevolkingsonderzoek en statistiek geldt dat veranderingen in gebruikte maatstaven gevolgen hebben voor de vergelijkbaarheid van gegevens door de tijd heen.
Ook de maatschappelijke kant mag niet worden onderschat: wanneer iemand door een eenvoudige screening onterecht in een categorie met gezondheidsrisico’s wordt geplaatst, kan dat invloed hebben op zelfbeeld en motivatie. Voorzorg bij interpretatie en communicatie is noodzakelijk.
| Kenmerk | BMI | BRI (alternatief) |
|---|---|---|
| Makkelijk berekenbaar | Ja | Ja (anders opgebouwd) |
| Maakt onderscheid vet/spier | Nee | Nee (maar vaak gepresenteerd als alternatief) |
| Opkomst in gebruik | Wijd verspreid | Neemt toe |
De tabel maakt duidelijk dat geen enkele eenvoudige index perfect is. Zowel BMI als alternatieven hebben beperkingen en een verschillend toepassingsgebied.
Voor mensen die zich zorgen maken over hun gewicht of gezondheid is het advies helder: laat een maat niet los de diagnose bepalen. Een combinatie van metingen en een professionele beoordeling blijft nodig. Wie sport of een opvallende lichaamsbouw heeft, doet er goed aan dit te bespreken met een zorgverlener, zodat de interpretatie van cijfers aansluit bij de persoonlijke situatie.
De verschuiving in aandacht van BMI naar alternatieven zoals BRI onderstreept dat gezondheidsscores niet statisch zijn; ze evolueren met wetenschap, praktijk en gebruik. Voor nu blijft de BMI een bruikbaar instrument voor brede indicatie, maar voor nuance en individuele begeleiding is extra aandacht en soms aanvullende meting nodig.