Dit voorjaar werden in de provincie Limburg opvallend veel Aziatische hoornaarkoninginnen gevangen: volgens cijfers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) gaat het om 17.946 exemplaren. Dat is goed voor ongeveer een kwart van de ruim 71.000 geregistreerde koninginnen in heel Vlaanderen en meer dan in eender welke andere Vlaamse provincie.
Wat zeggen onderzoekers en organisatoren?
Het INBO voerde, samen met het Agentschap voor Natuur en Bos, een driejarig burgeronderzoek uit naar de effectiviteit en selectiviteit van voorjaarsvallen. Mensen met een voorjaarsval konden hun vangsten zelf registreren. Tim Adriaens, exotenexpert bij het INBO, plaatst de Limburgse cijfers in perspectief:
"Ik verschiet niet van die cijfers. Limburg heeft van in het begin veel inspanningen geleverd. Maar wat ik vooral positief vind, is dat de participatie enorm is toegenomen sinds drie jaar geleden. Zowel imkers als burgers doen massaal mee."
Adriaens wijst erop dat hogere vangstcijfers niet automatisch betekenen dat er minder nesten ontstaan. "Als het aantal vangsten stijgt, moet je nagaan waardoor dat komt. Is dat omdat er meer hoornaars zijn, of omdat er meer mensen vallen plaatsen en hun vangsten registreren? Dat moeten we nog analyseren."
Acties op de grond: Lommel als voorbeeld
In Lommel werd de aanpak sterk georganiseerd: hier was een dicht netwerk van voorjaarsvallen opgesteld. Frank Willems, betrokken bij de coördinatie in Noord-Limburg, legt uit dat het idee was de vallen zo gelijkmatig mogelijk te verspreiden.
"Het idee was om de vallen zo goed mogelijk te spreiden zodat er overal wel eentje stond. We hebben een raster opgesteld waarbij ongeveer om de 350 meter een val stond. Op die manier was heel Lommel eigenlijk beschermd."
De resultaten zijn zichtbaar: Lommel staat met 2.557 gevangen koninginnen aan de Limburgse top en behaalt de op één na hoogste score in Vlaanderen. Alleen Brugge deed beter met 3.222 vangsten.
Logistiek en burgerparticipatie
Een belangrijke motor achter de Limburgse cijfers was de verspreiding van vallen: dit voorjaar verdeelden de Limburgse Imkersbond en Rotary Limburg samen ongeveer 11.000 voorjaarsvallen. Die campagne leidde tot een forse toename van deelname door zowel imkers als particulieren.
- Geregistreerde vangsten in Vlaanderen: ruim 71.000 koninginnen
- Vangsten in Limburg: 17.946 koninginnen (circa 25%)
- Aantal voorjaarsvallen verdeeld in Limburg: ~11.000
- Voorbeeldgemeente Lommel: 2.557 gevangen koninginnen
Wat leren we van de cijfers?
De cijfers benadrukken twee dingen: ten eerste de kracht van georganiseerde, lokale acties en de bereidheid van burgers om mee te doen. Ten tweede de complexiteit van het bepalen van effectiviteit. Het INBO-onderzoek probeert juist vast te stellen of de inzet van voorjaarsvallen daadwerkelijk leidt tot minder nesten later in het seizoen of dat de hogere vangsten vooral een registratiesucces weerspiegelen.
Praktische gevolgen voor imkers en inwoners
Voor imkers en inwoners van Limburg betekent de actie dat er nu beter zicht is op verspreiding en aantallen van de Aziatische hoornaar in het voorjaar. Tegelijkertijd blijft waakzaamheid geboden: het vangen van koninginnen in het voorjaar is één schakel in de bestrijding. Of de inzet leidt tot minder nesten in de zomer en herfst kan pas worden vastgesteld na verdere analyse van de gegevens over meerdere seizoenen.
| Item | Aantal/Opmerking |
|---|---|
| Geregistreerde koninginnen in Vlaanderen | ruim 71.000 |
| Geregistreerde koninginnen in Limburg | 17.946 |
| Verdeelde voorjaarsvallen in Limburg | ongeveer 11.000 |
| Vangsten Lommel | 2.557 |
Volgende stappen
Het onderzoeksteam van het INBO zal de data verder analyseren om onderscheid te maken tussen toegenomen waarneming en daadwerkelijke populatiegroei. Die analyse is nodig om de beste bestrijdingsstrategie te bepalen en om te weten of massale voorjaarsvangst nestvorming substantieel beperkt.
Voor nu blijft de inzet van lokale verenigingen, imkers en vrijwilligers in Limburg een belangrijk wapen in de strijd tegen de Aziatische hoornaar. Het laat tegelijk zien hoeveel effect collectieve actie kan hebben, maar ook dat wetenschappelijke opvolging essentieel is om die inspanningen te beoordelen.